Feuilleton deel 5

Gepubliceerd op 28 februari 2021 om 16:55

Lot kijkt naar haar handen. Ze zitten onder het bloed. Bloed van Zohra die zojuist volledig zinloos is neergestoken. En dat in Panningen, haar eigen veilige omgeving. Ze begrijpt het niet. Hoe? Waarom? De vriendelijke baliemedewerkster van de gemeente helpt haar op het toilet om de handen te wassen. Lot staart in de spiegel naar zichzelf. Het voelt alsof de aarde is gestopt met draaien. Ze kan geen woord uitbrengen, is nog volledig in shock. Het gebeurde speelt zich keer op keer af voor haar ogen. Het lijkt op een hele slechte B-film, waarin zij zelf plotseling en ongevraagd een hoofdrol speelt.

De medewerkster vraagt of het gaat. Lot hoort de woorden, maar is niet in staat om te antwoorden. Dan gaat de deur van de toiletruimte open en komt de burgemeester binnen. Ze heeft uiteraard gehoord wat er gebeurd is en is meteen tot actie overgegaan. Ook zij vraagt Lot of het gaat. Opnieuw is ze niet in staat om te reageren. De beide vrouwen nemen Lot vervolgens mee naar een aparte kamer. Hier wordt ze opgewacht door wijkagenten Jennifer van der Stoep en Luc Janssen. De burgemeester slaat, ondanks de afstandsmaatregel, bemoedigend en troostend haar arm om Lots schouder en biedt haar een glaasje water aan. Jennifer en Luc stellen allerlei vragen, maar Lot voelt zich doodmoe en wil eigenlijk alleen maar slapen.

De burgemeester laat weten dat slachtofferhulp onderweg is. Slachtofferhulp? Zij is toch niet het slachtoffer? Zohra! Het gaat om Zohra! En dan plots uit het niets begint ze te huilen. Onbedaarlijk alsof er nooit meer een einde aan haar tranenstroom komt. Als ze enigszins een beetje tot bedaren is gekomen, vindt ze eindelijk haar stem terug: “Waar is Zohra? Hoe gaat het met haar? Leeft ze nog? Haar man, haar kinderen… weten die het al? Mag ik naar haar toe? Ik wil naar haar toe, alstublieft breng me naar haar toe!” En weer breekt ze in tranen uit. Luc en Jennifer verzekeren Lot dat er goed voor Zohra wordt gezorgd. Ze is met de ambulance naar het VieCuri in Venlo gebracht. Volgens de eerste reactie van de ambulanceverpleegkundigen is ze niet levensgevaarlijk verwond. Ze heeft echter wel veel bloed verloren. Zodra er meer nieuws is, zullen ze het haar laten weten. Haar man is inmiddels ingelicht en met een collega onderweg naar het ziekenhuis. Ook de school is op de hoogte gesteld en zorgt dat de kinderen worden opgevangen. De wijkagenten vragen of Lot de dader goed heeft kunnen zien. Of ze een beschrijving van de man kan geven. En of ze gezien heeft in welke richting hij is gevlucht. Hoe harder Lot probeert zich het gebeuren te herinneren, hoe meer het een waas wordt. Zo helder als het zich in eerste instantie steeds voor haar ogen afspeelde, zo onduidelijk is het nu. Hoe harder ze haar best doet, hoe mistiger haar herinneringen worden. Luc laat weten dat er, vanwege het mooie weer, veel getuigen in het park waren. “De meesten hebben inmiddels een verklaring afgelegd bij onze collega’s, dus het signalement zal snel bekend zijn.” Dan herinnert Lot zich iets. Die man, die blik. Luttele seconden voor hij toestak keek hij Lot kort maar strak aan. Niet wetende wat zich ging afspelen, keek Lot hem verbaasd aan. Maar dat gezicht, ze herkende dat gezicht. Maar waarvan? Hoe hard ze ook haar best doet, ze kan geen verbinding leggen met waar ze hem eerder heeft gezien.
Dan wordt er zachtjes geklopt en gaat de deur open. Lot kijkt op en opnieuw breekt ze. “Ach Lotje toch...”, hoort ze nog net voor ze flauwvalt.


«   »