Feuilleton deel 11

Gepubliceerd op 12 april 2021 om 23:15

Lot opent haar mond en probeert te schreeuwen, maar er komt geen geluid. Zelfs geen klein piepje. Ze heeft het er vaker met vriendinnen over gehad, wat ze zouden doen in een dergelijke situatie: vechten, vluchten of bevriezen. Stoer als ze is, beweerde Lot altijd dat ze zeker en vast zou vechten. Maar het tegendeel is waar. Ze is zo bevroren als een ijspegel. Het lijkt wel alsof niemand haar of haar angst ziet. Haar ogen zijn groot en kijken hem strak aan. Ze kan zich niet bewegen, zelfs nauwelijks ademhalen.

Hij glimlacht naar haar. Als ze niet zou weten wat hij had gedaan, lijkt het bijna vriendelijk. “Je hoeft niet bang te zijn hoor Lotje.” Zijn stem klinkt alsof hij mijlenver van haar vandaan staat. In werkelijkheid zit hij nog geen meter van haar af. Ze probeert na te denken, te reageren. Haar lijf protesteert echter op alle fronten. Alsof hij haar op mysterieuze wijze heeft betoverd. “Lot, ik wil graag met je praten”, gaat hij verder. “Ik ben je een uitleg verschuldigd. Je weet wel, van wat er laatst hier is gebeurd.” Zijn stem klinkt aangenaam rustig. Het verwart Lot. Ze wil helemaal niet met deze man praten!

Het oudere echtpaar wat verderop zat, is opgestaan en wandelt gearmd weg. Lot voelt paniek, maar kan nog steeds niets zeggen. Laat staan roepen. Zo meteen is ze helemaal alleen in het park. Met deze man. Deze gevaarlijke gek die willekeurig mensen neersteekt. Ze voelt een koude rilling over haar rug en tegelijkertijd breekt haar het zweet uit. Dan ziet ze hoe hij zijn hand in zijn zak steekt en iets zoekt. Er rolt een traan over haar wang. Nu is het haar beurt. En er is niemand die er iets tegen kan doen. Gek genoeg voelt ze ook een soort berusting. Dat het maar snel voorbij mag zijn…

Dan haalt hij zijn hand uit zijn zak. Lots adem stokt. Maar in zijn hand heeft hij dit keer geen mes, maar een gekreukelde envelop. Wat onhandig vouwt hij het open en haalt er een brief uit. Hij kijkt haar opnieuw aan, een tikkeltje verlegen dit keer. Het valt haar op dat hij er nogal onverzorgd uitziet. Wat verwilderd zelfs. Ze kijkt naar zijn handen vol met littekens. Onverzorgde nagels met zwarte randjes. Hij haalt diep adem en na een korte stilte begint hij: “Weet je nog wie ik ben? We hebben bij elkaar in de brugklas gezeten. Jij zat schuin voor me. Weet je nog?” Lot knikt traag, maar kan het zich niet meer herinneren. Eigenlijk kan ze zich op dit moment helemaal niets herinneren. Haar geheugen is een groot zwart gat. “Ik probeerde altijd met je te kletsen, maar je negeerde me meestal. Net zoals de rest…” Hij slaat zijn ogen neer. Er valt een lange stilte en ze ziet dat hij met moeite naar woorden zoekt. “Weet je, gepest worden is erg. Maar als mensen je negeren, is dat tien keer erger. Alsof je niet bestaat, er niet toe doet. Lucht bent voor de rest van de wereld. Dat tekent je Lot, begrijp je dat?” Lot kijkt hem aan. “Leraren die ik in vertrouwen nam, zeiden dat ik er boven moest staan. Ik heb altijd geprobeerd om me er niets van aan te trekken, maar het vreet aan je, weet je. Ook na die vreselijke middelbare schooltijd. Ik heb dat gevoel nooit meer helemaal van me af kunnen schudden. Het heeft er toe geleid dat ik mijn studie heb afgebroken, mijn droom om dierenarts te worden heb opgegeven en de maatschappij op een gegeven moment bewust de rug heb toegekeerd.” Lot slikt. Hoewel ze het niet wil toegeven, raken zijn woorden haar om de een of andere reden. “Maar weet je Lot, tussen al die verschrikkelijke herinneringen, heb ik ook een goede. Een hele goede zelfs.” Hij glimlacht in zichzelf. “Weet je nog het schoolfeest toen we in de vierde zaten? Jij op de Havo en ik op het VWO? Ik wilde eigenlijk helemaal niet gaan, maar liet me ompraten door mijn mentor. Van het feest heb ik niet zo veel meegekregen, want ik heb bijna de hele avond wat in het fietsenhok gehangen. Beetje blowen en zo. En toen kwam jij met die vriendinnen van je. Die vreselijke aanstellers. Maar jij niet Lot, jij bent anders. Of althans, jij was anders. Je vroeg of ik mijn jointje met je wilde delen, wat ik uiteraard meteen deed. Je vriendinnen probeerden je nog mee terug naar het feest te nemen, maar jij bent eventjes bij me in het fietsenhok gebleven. Toen hebben we voor het eerst gepraat. Weet je nog?” Hoe Lot ook haar best doet, ze herinnert zich niets. Zelfs niet of er een fietsenhok op het schoolplein stond. Ze kan zich op dit moment de naam van de school niet eens meer herinneren. Of zelfs de naam van haar konijn. “En toen Lot, toen heb ik je in een opwelling gezoend. De beste zoen ooit.” Lot voelt zich verstijven. Gezoend? Zij? Met deze gek? Deze crimineel? Dat kan niet waar zijn! Dat mag niet waar zijn! Dan slaat zijn stemming om. Dreigend vervolgt hij: “Maar we werden gestoord Lot. Gestoord door die klootzak Samir die het grappig vond om een rotje in onze richting te gooien. Als hij ons met rust had gelaten Lot, was het allemaal helemaal anders gelopen. Met jou, met mij, met ons.” Lot kan niet geloven wat ze allemaal hoort. Ze wil maar een ding, weg van deze plek en vooral weg van deze man. Deze idioot die denkt dat ze samen een moment hebben gedeeld. Ze delen alleen ellende, pijn en verdriet. Allemaal door hem veroorzaakt. Hij kijkt wat nerveus naar het papiertje en stopt het terug in de envelop. Vervolgens duwt hij de envelop in haar handen. “Hier Lot, hierin staat geschreven waarom ik gedaan heb, wat ik moest doen. Ik ben het je verschuldigd.” Vervolgens strekt hij voorzichtig zijn hand uit richting haar gezicht. Lot voelt zich verstijven. Hij merkt het, maar strijkt toch zachtjes met zijn wijsvinger langs haar wang. Dan staat hij op. “Dag lieve Lot. Tot snel.” Daarna draait hij zich om en loopt rustig van haar weg. Langzaam voelt Lot haar lichaam ‘ontdooien’. Ze kijkt naar de envelop in haar hand. Duizenden gedachten schieten alle kanten op. Ze schrikt op uit haar overpeinzingen als de kerkklok zes uur slaat.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.